Tauw

Riothermie, de term werd zo’n vijf jaar geleden in Nederland geïntroduceerd. De term staat voor technieken die warmte onttrekken aan waterlichamen, riolen op kop, om ze dan via een warmtepomp opkrikken naar een bruikbaar niveau. De techniek zelf is al meer dan dertig jaar oud, maar nu komen ook de eerste projecten in Vlaanderen van de grond. Een stand van zaken.

Afvalwater is warmer dan grondwater

 

Van al het water dat gezinnen gebruiken wordt ongeveer 40% verwarmd [Bron: http://www.energiesparen.be/sanitairwarmwater]. Het meeste van die warmte verdwijnt uiteindelijk in het rioolputje waardoor afvalwater warmer is dan grondwater. Zelfs in putje winter is het rioolwater zelden kouder dan 6°C. Dat heeft de interesse opgewekt om afvalwater in te zetten als een warmtebron voor warmtepompen. De warmterecuperatie kan op vele plaatsen in de afvalwaterketen; dicht bij het lozingspunt, onderweg in het rioleringstelsel of op het eind bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De warmteonttrekking dicht bij het lozingspunt gebeurt doorgaans via een warmtewisselaar waarbij vers, koud water warmte opneemt van het geloozd, warm afvalwater. Zo zijn er bijvoorbeeld douchesystemen ontwikkeld die een warmtewisselaar integreren in een douchebak of –goot.

De warmteonttrekking onderweg in het rioleringstelsel kan op twee manieren. De ene manier is om een warmtewisselaar in de riool in te brengen. Het meest gangbaar is om de leidingen van de warmtewisselaar in de rioolbuis in te bouwen; een ander systeem bestaat uit een warmtewisselaar in de vorm van een mat die in de rioolbuis bevestigd wordt. Bij de andere manier wordt het afvalwater geheel of gedeeltelijk afgeleid uit de rioolbuis naar een warmtewisselaar in de buurt. Bij beide manieren is de warmtewisselaar gekoppeld aan een warmtepomp voor het opwaarderen van de warmte naar een hoger temperatuurniveau zodat het ingezet kan worden voor verwarming van gebouwen.

Bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie is er doorgaans plaats genoeg om plaats te voorzien voor een externe warmtewisselaar. Meestal is de warmtebron het effluent, hoewel er ook voorbeelden zijn van warmteonttrekking van het influent.

 

 

De randvoorwaarden van de verschillende riothermietechnieken

 

Elk van deze systemen heeft zijn voor- en nadelen. Eigenlijk is het in hoofdzaak een afweging tussen temperatuur en debiet: hoe dichter bij het lozingspunt, hoe warmer het afvalwater nog is maar ook hoe kleiner en wisselvalliger het debiet; hoe meer stroomafwaarts, hoe meer het afvalwater al is afgekoeld maar je hebt wel een grotere zekerheid van een minimaal debiet.

Er zijn nog andere aspecten die een rol spelen. Een eerste aspect is de vuilvracht van het afvalwater. Dit geeft aanleiding tot het ontstaan van een biofilm op het oppervlak van de warmtewisselaar, waardoor de warmtegeleidbaarheid zelfs kan halveren. De vorming van zo’n biofilm is in toom te houden door voorbehandeling van het afvalwater (filteren, zeven), het regelmatig schoonmaken van de warmtewisselaar of het vergroten van het oppervlak van de warmtewisselaar.

Een tweede aspect is de mogelijke invloed van neerslag, zeker als warmte onttrokken wordt uit een gemengd rioleringstelsel. Een felle regenbui maakt het rioolwater al gemakkelijk een drietal graden kouder. De duur van de verstoring varieert van de plaats in het rioleringstelsel: hoe verder stroomafwaarts, hoe langer de verstoring. Bij kleine rioolbuizen is het effect een paar uur na de bui al terug weggespoeld, maar aan het effluent van een rioolwaterzuiveringsinstallatie kan het effect zich dagen laten voelen.

Een derde aspect is de afstand tussen de warmteonttrekking en de -consument. Deze is het best zo kort mogelijk en dat legt een beperking op aan potentiële riothermieprojecten. In de praktijk maken gebouwen met een voldoend hoge warmtevraag, zoals zwembaden, kantoorgebouwen of sociale woonblokken, met een riool voor de voordeur of om de hoek meest in aanmerking om een riothermieproject te ontwikkelen. In landen, waar riothermie het verst staat, zien we vaak dat de warmte aan een stadswarmtenet gevoed wordt.

Daar komt dan nog een vierde en laatste aspect bij kijken: een riothermieproject vergt meestal een ingreep aan de rioolbuis zelf. Als deze aan vervanging toe is, biedt dit een mogelijkheid om na te gaan of er een interessante warmteafnemer in de buurt is, maar soms is het lang wachten want rioolbuizen gaan immers decennia mee.

 

 

Kansen van riothermie in Vlaanderen

 

Riothermie kan ook in Vlaanderen. Om die ontwikkeling te stimuleren maakte VITO voor Antwerpen een kansenkaart op voor riothermieprojecten. [Opmaak kansenkaart riothermie voor Antwerpen, VITO, 2014; vrij te raadplegen] Deze kansenkaart bracht vooral de grote rioleringsleidingen en de rioolwaterzuiveringsinstallaties in beeld. Op basis van deze kansenkaart zijn projecten gedefinieerd voor de inzet van afvalwater voor de warmtevoorziening van een nieuwe stadsontwikkeling in het noorden van Antwerpen en van een stedelijk zwembad. Leuven bijt echter de spits af met een eerste demonstratieproject; afvalwater van het Universitair Ziekenhuis verwarmt er sinds 2014 een gerenoveerd appartementsgebouw met 93 wooneenheden.

Kansenkaart Antwerpen, VITO